Kabinet wil koerswinst pas bij verkoop belasten, maar verlaagt de vrijstelling naar 1.000 euro
Het kabinet heeft de oppositie een pakket belastingmaatregelen voorgelegd waarin koerswinsten op financiële instrumenten vanaf 2028 pas bij verkoop worden belast. Daarmee kiest het kabinet eerder dan verwacht voor een vermogenswinstbelasting, het model waarin winst op papier onbelast blijft. Tegenover die keuze staat een verlaging van het heffingsvrije resultaat van 1.800 naar ongeveer 1.000 euro per persoon per jaar. Voor direct gehouden crypto is nog niet vastgelegd of de nieuwe behandeling al in 2028 ingaat of pas in 2030.
Het kabinet heeft op dinsdag 29 september een pakket belastingmaatregelen aan de oppositie voorgelegd om steun voor de begroting te krijgen. Het belangrijkste onderdeel voor beleggers en spaarders: koerswinsten op financiële instrumenten worden vanaf 2028 pas belast op het moment van verkoop. Daarmee kiest het minderheidskabinet voor een vermogenswinstbelasting in plaats van het model waarin ook een waardestijging meetelt die nog niet is gerealiseerd. Tegelijk gaat het heffingsvrije resultaat omlaag van 1.800 naar ongeveer 1.000 euro per persoon per jaar. Het gaat nadrukkelijk om een onderhandelingsvoorstel en niet om aangenomen wetgeving.
Waarom het moment van heffing uitmaakt
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement zoals dat er nu ligt, vallen cryptovaluta onder de categorie overige bezittingen en daarmee onder de vermogensaanwasbelasting. In dat model wordt elk jaar geheven over de waardeontwikkeling, ook als er niets is verkocht. Wie een positie aanhoudt die in waarde stijgt, kan dan belasting verschuldigd zijn over winst die alleen op papier bestaat en moet dat bedrag ergens anders vandaan halen. Bij sterk schommelende beleggingen is dat een terugkerend bezwaar: een waardestijging in het ene jaar wordt belast, terwijl een daling in het jaar daarna pas via verliesverrekening met latere winsten kan worden goedgemaakt.
Bij een vermogenswinstbelasting speelt dat niet. Er wordt pas afgerekend als een positie daadwerkelijk wordt verkocht, zodat de belasting uit de verkoopopbrengst kan worden betaald. Het kabinet wil dit vanaf 2028 laten gelden voor aandelen, obligaties en opties, samen naar eigen zeggen ongeveer 90 procent van het box 3-vermogen dat in waarde kan veranderen. De overige bezittingen volgen uiterlijk in 2030.
Voor crypto is de categorie nog niet ingevuld
In de stukken die het kabinet aan de oppositie voorlegde, worden cryptovaluta niet apart genoemd. Daarmee staat niet vast of direct gehouden crypto tot de groep behoort die in 2028 overgaat, of tot de bezittingen die pas in 2030 volgen. Gespecialiseerde media wijzen erop dat de vorm waarin iemand crypto aanhoudt daarbij bepalend kan worden: een beursgenoteerd product dat de koers van een cryptomunt volgt is juridisch iets anders dan de munt zelf, ook wanneer een platform die munt voor de gebruiker bewaart. Zolang het kabinet die categorie-indeling niet bevestigt, is dat onderscheid een verwachting en geen vaststaand gegeven.
Tegenover het uitstel van het heffingsmoment staat een lagere vrijstelling. Door het heffingsvrije resultaat bijna te halveren komen er volgens berichtgeving over de plannen ruim 850.000 spaarders en beleggers bij die box 3-belasting gaan betalen, boven op de ongeveer 2,2 miljoen mensen die dat nu doen. Wie net boven de nieuwe grens uitkomt, betaalt enkele tientallen euro's per jaar. Het tarief voor het nieuwe stelsel is nog niet bevestigd; het huidige wetsvoorstel gaat uit van 36 procent. Het kabinet raamt zelf een budgettair gat van ruim 3 miljard euro in zowel 2028 als 2029, omdat de schatkist belastinginkomsten later ontvangt.
Politiek is het pakket nog geen gelopen race. Het kabinet heeft geen meerderheid en is afhankelijk van oppositiepartijen, die verdeeld reageren. Onderdeel van hetzelfde pakket is dat de geplande bezuinigingen op de sociale zekerheid van tafel gaan. De Tweede Kamer nam een eerdere versie van de Wet werkelijk rendement op 12 februari 2026 aan, maar de Eerste Kamer stelde de stemming uit in afwachting van aanpassingen. Eerder dit jaar mikte het kabinet nog op de Voorjaarsnota van 2027 voor een besluit over box 3; met dit voorstel komt die keuze dus eerder op tafel dan aangekondigd.
Tot er nieuwe wetgeving is, blijft het bestaande tijdelijke stelsel gelden. De Belastingdienst rekent daarbij met een forfaitair rendement, met de mogelijkheid om via de tegenbewijsregeling een lager werkelijk rendement aan te tonen. Daarbij geldt een heffingsvrij vermogen, een ander begrip dan het heffingsvrije resultaat uit de nieuwe plannen: in 2026 is dat 59.357 euro per persoon en 118.714 euro voor fiscale partners samen. Crypto telt daarbij mee als bezitting, gewaardeerd op de peildatum. De aangifte over 2026 verloopt dus nog volgens de huidige regels. Een overzicht van de platformen die in Nederland onder MiCAR zijn geautoriseerd, vind je op onze pagina met crypto-aanbieders.
Dit artikel is uitsluitend bedoeld ter informatie en vormt geen beleggings- of belastingadvies.
